Terwijl hij Naam Simran beoefent in de heilige gemeente en de ademhaling omkeert, bereikt de windachtige, speelse geest, die heel snel is als een vis, de tiende mystieke deur waar hij zich verdiept in een voortdurende vereniging van woorden en bewustzijn. Dat doet hij niet
En op dezelfde manier wordt hij zich bewust van zichzelf, dankzij de voortdurende meditatie, die lijkt op een filosoofsteen, waarin hij zonder enige bewuste inspanning verdiept blijft. In de staat waarin de geest op God gericht is, verschijnt de heldere glans van de naam van de Heer.
In deze staat van sterke, op God gerichte wellust hoort hij de melodieuze melodieën van de onaangeslagen muziek en blijft in een staat van trance.
Deze ervaring die wordt gevoeld in de tiende opening van het lichaam, de uitstraling ervan is verbazingwekkend en vol extase. Het verblijf van de geest in de mystieke tiende deur is van een vreemd geloof. (251)